Angststoornissen:

Concrete omschrijving/Algemene kenmerken:

Angst is een normale reactie op een waargenomen of beleefde bedreiging. Angst is een normaal verschijnsel bij kinderen en vervult op zichzelf een gezonde, stimulerende functie. Door doelgerichte aandacht is iemand, in combinatie met hyperactiviteit en een versnelde hartslag, in staat actie te ondernemen tegen gevaar. Angst beschermd ons door ons te waarschuwen. Angst wordt daarom beschouwd als een overlevingsmechanisme dat reageert op een specifieke prikkel, zoals pijn of dreiging van gevaar. In het laatste geval ontstaat er een vecht (fight) of vluchtreactie (flight) , bij extreme vormen van angst is het mogelijk dat men verstart (freeze). Soms leidt dit tot een vermijding of ontwijking van deze emotie nadat het is ervaren. “Angst wordt een probleem wanneer het geen reële grond heeft, verlammend werkt en het normale, dagelijkse functioneren verstoort” Lieshout & Deth (2018).

Angststoornis symptomen:

Soms kan angst de overhand krijgen. Wanneer normale situaties worden gezien als gevaarlijk en bedreigend spreken we van een angststoornis. Door deze angst ontstaan er conflicten in het dagelijks functioneren van iemand die hieronder lijdt.

Klik hier voor een kijkje in het leven van iemand met een angststoornis.

Vormen van angst:

Gegeneraliseerde-angststoornis (GAS) of piekerstoornis

Volgens de DSM-5 spreken we over GAS wanneer gedurende zes maanden of langer het gevoel van buitensporige angst en zorgen over en voor allerlei gebeurtenissen of activiteiten vaker wel dan niet aanwezig is. Gespannenheid, snel vermoeid zijn, prikkelbaar of slaapproblemen zijn hiervan enkele gevolgen. Tevens wordt er gesproken van een piekerstoornis. Dit heeft tot gevolg dat men paniekgevoelens ervaart, vermijdingsreacties en depressieve klachten krijgt.

Separatie angststoornis

Separatieangst heeft betrekking op het herhaaldelijk van streek zijn tijdens situaties waar men gescheiden raakt en/of is van diegene tot wie men is gehecht. Tevens is de angst om een hechtingsfiguur te verliezen zeer groot.

Paniekaanval en paniekstoornis (dwangstoornis)

Wanneer er sprake is van hevige schrikreacties of plotselinge angst spreken we over paniek.

Symptomen zoals een versnelde hartslag en een onregelmatige ademhaling zijn een gevolg van de lichamelijke reactie om te overleven. Wanneer deze paniekaanvallen regelmatig voor komen spreken we over een paniekstoornis.

Selectief mutisme

Volgens de DSM-5 gaat spreken we van selectief mutisme als in specifieke situaties wordt gezwegen. In andere situaties wel wordt gesproken. Wanneer deze specifieke situaties normale omgangsvormen belemmert kan dit tegen koste gaan van het functioneren binnen een groep of opleiding.Kinderen met selectief mutisme (ook wel electief mutisme genoemd) zijn extreem verlegen” Lieshout & Deth (2018).Deze stoornis wordt vaak gekoppeld aan het ontwikkelen van een sociale angststoornis.

De obsessief-compulsieve stoornis of dwangstoornis

Deze paniekstoornis wordt ook wel Obsessieve-compulsieve stoornis genoemd. Een obsessie wordt gezien als een dominerende gedachte. In dit geval is het een negatieve angst gedachte die ervoor kan zorgen dat er dwanggedrag ontstaat. Wanneer men het gevoel heeft bepaalde handelingen telkens te moeten herhalen, spreken we over dwanggedrag.

Specifiekefobie

Een fobie wil zeggen dat er een specifieke en vaak hevige vorm van vrees overheerst. Deze vrees kan te maken hebben met bepaalde dieren zoals bijvoorbeeld wespen of spinnen. Tevens kan deze vrees zich richten op specifieke situaties zoals kleine ruimtes, water of hoogte.

Sociale angst

Bij angst voor sociale contacten wordt gesproken over sociale fobie. Het gaat hierbij over deze specifieke situatie die uit meerdere onderdelen kan bestaan. Angst om in de ogen van anderen (de maatschappij) te kort te schieten is een sociale angst. Ook vallen optreden in het openbaar, spreken voor een groep en faalangst onder sociale angst.

Posttraumatische stressstoornis

Men spreekt van PTSS als gevolg van een traumatische ervaring. Betrokkenen zijn getuige geweest van deze gebeurtenis of hebben deze zelf ondergaan. Voorbeelden van de gevolgen van deze situatie zijn: herinneringen aan de gebeurtenis, gevoelens van herbeleven en vermijdingsgedrag m.b.t. een zelfde soort situatie.

Kenmerken angststoornis:

Hieronder worden angststoornis symptomen genoemd. Deze bestaan uit psychische- en biologische klachten voor zowel kinderen, volwassenen en ouderen. De symptomen zijn per individu anders, zo kan iemand meer of minder symptomen vertonen. Tevens worden de symptomen van een angstaanval benoemd.

Kenmerken angststoornis:

    • Vermoeidheid van lichaam en geest
    • Gevoelens van angst
    • Rusteloos gevoel
    • Buikpijn
    • Moeite met concentratie
    • Piekeren / gespannen geest
    • Gespannen spieren
    • Moeite met slapen
    • Vermijden van specifieke situaties (welke in relatie staan met de angst)

Symptomen angstaanval:

    • Benauwdheid
    • Versnelde ademhaling / hartslag
    • Buikpijn
    • Een droge mond
    • Hoofdpijn met flauwvallen tot gevolg
    • Misselijk worden, overgeven
    • Transpireren (heftig)
    • Verward zijn

Oorzaken – Psychologische factoren:

Aanleg

“Bij het ontstaan van een angststoornis speelt het temperamenttype, de aanleg van het kind, een rol” Lieshout & Deth (2018). Sommige mensen zijn van zichzelf angstiger dan andere mensen. Als effect van deze angst gaan mensen voorzichtiger tewerk dan andere mensen. Tevens wordt er gesproken van een biologische (fysieke) kwetsbaarheid waarbij genetische componenten van invloed zijn.

Leerervaringen

Angststoornissen die betrekking hebben op leerervaringen worden gezien als geconditioneerd modeleren uit een negatieve ervaring. Aangeleerde angst kan daarom verkregen worden door informatie overdracht uit verhalen van anderen, ervaring van een situatie waarin men zelf slachtoffer is, of getuige zijn van een incident. Als voorbeeld kan men zelf worden aangevallen door een hond en hier een angst voor ontwikkelen. Ook kan een familielid schrikken van honden en die als voorbeeld overdragen op anderen. Men kan ook kwaad spreken over honden waardoor een negatief beeld wordt gecreëerd.

Ingrijpende gebeurtenissen

Men spreekt over ingrijpende gebeurtenissen wanneer een situatie langdurige gevolgen heeft voor de gezondheid. Deze ingrijpende gebeurtenissen kunnen binnen en buiten het gezin plaatsvinden en vergroten de kans op een angststoornis in de toekomst. Voorbeelden zijn jeugdtrauma’s zoals negatieve schoolervaringen, het verlies van een naaste en ruziënde ouders of familieleden.

Gehechtheidservaring

Bij gehechtheidservaringen spreken we over herhaalde frustratie van de behoefte aan veiligheid binnen een gezin. Ouders en verzorgers hebben daarmee grote invloed op deze ervaring. Kinderen met onveilige gehechtheidservaringen zoals bijvoorbeeld vertrouwen naar of van ouders. Overbescherming van kinderen door ouders die zelf een angststoornis hebben kan het effect van de stoornis doorgeven aan het kind.

Begeleiding bij angststoornissen:

Psycho-educatie.

Het gaat hierbij voornamelijk over het voorlichten en bewust maken van de angst en wat dit kan betekenen voor de gezinssituatie. “ Om angst te vermijden hebben kinderen de neiging het gezin te controleren” Lieshout & Deth (2018). Het doel van deze psycho-educatie is het kind actief te betrekken bij het besluit om hulp te aanvaarden.

Psychologische interventies

1. Behandeling gericht op gedragsmatige aspecten

Hierbij ligt de nadruk op de het aanleren van gewenst gedrag. Het gewenste gedrag wordt gekoppeld aan positieve gevolgen van dit gedrag en het gevoel wat daarbij hoort. De nadruk ligt dan ook op het onthouden van dit positieve gedrag. “Bij vrijwel alle fobische stoornissen wordt exposure gebruikt: geleidelijk wordt iemand systematisch steeds langer blootgesteld aan de angst oproepende situatie (reëel of in voorstelling), waardoor hij door gewenning steeds minder angstig op de situatie zal reageren Lieshout & Deth (2018).

Tevens wordt er gebruik gemaakt van modeling. Het gaat hierbij om een situatie waarin kinderen een voorbeeld nadoen. De situatie wordt hierdoor beoefend zodat het kind wordt voorbereid op stressvolle situaties en daarbij gewenst gedrag overneemt.

2. Behandeling gericht op cognitieve aspecten

In de zogeheten cognitieve gedragstherapie (CGT) worden de gedachten, die zorgen voor het probleem, besproken en behandelt. Het doel hiervan is de catastrofale (gedachten) interpretaties in twijfel te trekken. Het kind leert zichzelf vragen te stellen over de situatie. Vragen als;

Klopt het wat ik denk?

Hoe groot is de kans dat het gevreesde echt gebeurt?

Ook gaan de kinderen opzoek naar informatie over hun gedachten. Ze gaan na wat andere mensen van het probleem denken en zoeken daarbij naar andere verklaringen voor hun gedachten. Zo wordt er een koppeling gemaakt van hun angst naar de werkelijkheid en worden zij geoefend in Coping vaardigheden. Vooral het positief leren denken is van groot belang. Het bewust maken van de kinderen, door het gebruiken van methodes als het aanleren van gedachtestop, positieve zelfspraak en zelfcontrole, is hier onderdeel van.

“Tevens wordt mindfulness ingezet om gedachten om te buigen en anders om te gaan met storende gedachten” Lieshout & Deth (2018).

3. Behandeling gericht op fysiologische-affectieve aspecten

Bij de behandeling van fysiologische-affectieve aspecten worden oefeningen en technieken aangeleerd die te maken hebben met het herkennen van de lichamelijke reacties op angst. Vanuit hier wordt gewerkt met ademhalings- en ontspanningsoefeningen die de reacties van angst tegen gaan.

Het doel is dat het kind flexibeler leert te reageren op angstsituaties.

“Op jonge leeftijd werkt vooral een gedragstherapeutische aanpak, waarbij het kind heel geleidelijk wordt blootgesteld aan steeds moeilijkere situaties en wordt beloond voor ieder stapje in de goede richting” Lieshout & Deth (2018). Bij CGT worden exposure, helpende gedachten en modeling toegepast. Deze therapie is erop gericht om het oude patroon van vermijden of angst te doorbreken.

Psychosociale methoden

Psychosociale methodes worden toegepast bij sociale angststoornissen tussen de 4 en 16 jaar. Sociale vaardigheid trainingen als Kanjertraining hebben het doel om sociaal vaardig gedrag te stimuleren en problematiek te verminderen. Voorbeelden van deze problemen zijn pesten, ruzies en sociaal teruggetrokken gedrag.

Bewust Actief Leren (BAL) is een methode die door sport en spel sociale communicatie, in de leeftijd van 12 tot 18jaar, dient te verbeteren. Het doel is het zelfbeeld, zelfvertrouwen en sociale competenties aan te spreken en te ontwikkelen.

Het VRIENDEN-programma wordt gezien als groepstherapie. Tijdens deze therapie worden sociaal vreesachtige situaties beoefend. Op deze manier worden de kinderen in de leeftijd van 4 tot 16 jaar geoefend in hun veerkracht en probleemoplossende vaardigheden in angstsituaties. Het doel van deze methode is het creëren van een positief zelfbeeld waardoor het zelfvertrouwen van het kind toeneemt.

Zelfhulp

Wanneer er een mildere vorm van angstproblematiek van toepassing is kan zelfhulp een goede methode zijn. Zo worden boeken, internet, e-mail, chatrooms, virtual reality en smartphone ingezet in de ondersteuning van zelfhulp. De hulpverlener heeft een ondersteunde rol in dit traject. Het doel van zelfhulp is om het kind bewust te maken van de gedachten die het heeft tijdens een angst- of paniekaanval. Er wordt geleerd deze gedachten te vervangen door positieve gedachten.

Medicatie

“Medicatie neemt een bescheiden plaats in bij de behandeling van kinderen en jongeren met angststoornissen” Lieshout & Deth (2018). Door het risico van bijwerkingen en onduidelijke effecten op de lange termijn wordt de medicatie ontraden door gezaghebbende instanties.

Begeleiding in het onderwijs:

Schep een klimaat wat pedagogisch verantwoord betrekking heeft op veiligheid, respect, vertrouwen en tolerantie. Van fouten kan je leren en dus is het niet erg.

Het voorzichtig prikkelen van mensen met een angststoornis kan goed werken. Bescherming en ruimte om langzaam de grenzen te verleggen zijn een voorwaarde voor deze aanpak.

Besef dat affectieve aanpak goed werkt bij jongeren. Ga niet te makkelijk met het probleem om. Neem het probleem serieus, ook als er geen logische redenen voor angst zijn. Mensen met een angststoornis weten niet waar de angst vandaan komt, maar het is er.

Maak het bespreekbaar in de klas. Het erkennen van de angst en hoe de groep er mee omgaat kan daarbij besproken worden.

Geef positieve bevestiging en creëer succesmomenten. Het voeden en belonen van gewenst gedrag zorgt voor een situatie waarin succes vrijwel zeker is.

Prijs betrokkene wanneer deze niet angstig is en maak diegene bewust van het moment. Herinner hem aan het moment wanneer het kind wel angstig wordt.

Verander het perspectief van de dreiging naar het zien van een uitdaging. Biedt ruimte voor de ontwikkeling van deze andere kijk.

Leer de kinderen coping vaardigheden aan door het te leren “zichzelf moed in te spreken” ”ontspannen, op zijn ademhaling te letten en bewust na te gaan wat hem angstig maakt.

“Laat hem merken hoe positieve gedachten je een goed gevoel geven en je dan gemakkelijker kunt gedragen (de G-G-G-G-methode: Gebeurtenis, Gevoel, Gedrag, Gevolg). Dit in plaats van catastrofale negatieve, belemmerende gedachten als: íedereen zal mij straks uitlachen’. Dat geeft een vervelend gevoel, dat je kan verlammen” Lieshout & Deth (2018).

Het leren bewust worden van de angst is een grote stap. Aangeleerde gewoontes, het vermijden van situaties die te maken hebben met de angst, of het veranderen van het perspectief kosten veel tijd en zijn niet zomaar opgelost.

Stimuleer de ouders en het kind om hulp te zoeken indien nodig. Verdiep jezelf als docent in de angststoornis en maak afspraken binnen het lerarenteam over de eenduidigheid en het consequent toepassen van de begeleiding.