Wat is vandalisme

Vandalisme wordt omschreven als vernielen van spullen zonder dat je daar iets mee wint of er op vooruit gaat. Daarnaast gebeurt het vaak in groepsverband. Dit in tegenstelling met criminaliteit. Dit komt meer voor bij volwassen en is meer geheim en individueel.

De grens tussen vandalisme en jeugdcriminaliteit is vaak moeilijk te bepalen. Zeker is dat alcohol en drugs een grote rol spelen. Vandalisme valt vaak nog onder de noemer opgroeigedrag. Daar wordt ook spijbelgedrag en schoolverlaten genoemd. Kort gezegd worden er normen en waarden overschreden. Wanneer dit opgroeigedrag uitloopt in wangedrag en het komt vaker voor dan krijgt het de naam jeugdcriminaliteit. Voorbeelden van vandalisme zijn bijv: bloembakken omgooien, graffiti, verkeersborden kapotmaken, spiegels van auto’s aftrappen en bushokjes vernielen.(Lambert Rooijendijk, 2011)

https://www.politie.nl/themas/vandalisme.html

Het ontstaan van vandalisme

Gabriel van den Brink geeft in zijn boek Geweld als uitdaging. De betekenis van agressief gedrag bij jongeren (2001) een samenhangend overzicht van de belangrijkste factoren die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van agressief gedrag van jongeren en dit gedeeltelijk zouden kunnen verklaren.

(Sociaal)psychologische theorieën

  1. Psychodynamische theorie van Burt. Burt zegt dat vandalisme en jeugdcriminaliteit worden veroorzaakt door stoornissen in de emotionele en morele ontwikkeling. De belangrijkste oorzaak lijkt een verkeerd voorbeeld vanuit het gezin te zijn. Gebleken is dat wanneer het gezin tot een etnische minderheid behoort en/of tot de lagere sociale klasse er nog meer risico ontstaat. Zeker is dat een goede en liefdevolle band met de ouders zorgt voor socialer en minder crimineel gedrag. Dit is in meerdere onderzoeken aangetoond.
  2. Psychiatrische stoornissen. De risicofactoren binnen de jongere zelf zijn psychiatrische stoornissen zoals bij voorbeeld ADHD, ASS, gedragsstoornissen en oppositione stoornissen. Deze stoornissen maken dat jongeren meer dan leeftijdsgenoten gefixeerd zijn op directe behoeften bevrediging, een grote spanningsbehoefte en een gebrekkig inlevingsvermogen hebben. Vaak is er dan ok nog sprake van risicofactoren op meerdere gebieden ( gezin, omgeving) waardoor het gedrag te verklaren is.
  3. De frustratie-agressieverklaring. Doordat iemand zijn basisbehoeften niet snel kan bevredigen wordt de agressie groter.

Leertheorieën

De leertheorie zegt dat agressie voorkomt uit imitatie. Jongeren volgen het voorbeeld wat ze hebben. Dus wanneer zij opgroeien in een crimineel milieu is de kans groter dat zij ook in het criminele circuit terecht komen.

Sociologische theorieën

  1. Theorie van de differentiële associatie: Deze theorie gaat er vanuit dat crimineel gedrag wordt aangeleerd binnen criminele groepen. Wanneer jongeren delinquente vrienden hebben blijken ze vaker zelf ook crimineel gedrag te vertonen. Daarnaast is de kans op recidive heel groot als zij al eens in aanraking zijn geweest met de
  2. Rationelereactie model: Dit model gaat ervan uit dat de jeugd een nieuw antwoord bedenkt op problemen die er in de huidige maatschappij bestaan. Bijvoorbeeld krakers. Hiermee wordt er nog niet verklaard waarom er delinquente subculturen ontstaan.
  3. Etiketteringstheorie: Deze theorie stelt dat de maatschappij minstens net zo verantwoordelijk is voor het ontstaan van vandalisme als het gedrag van jongeren. Wanneer een bepaalde groep jongeren negatief benaderd wordt zullen ze zich negatiever gaan gedragen. Daarnaast is het zo dat jongeren graag ergens bij willen horen en indruk willen maken op leeftijdsgenoten. Jongens doen dit vaker door middel van stoer of riskant gedrag. (Lambert Rooijendijk, 2011)

Wat is criminaliteit

Strafbare feiten of delicten zijn te verdelen in vier typen: geweldsdelicten, vermogensdelicten, vernieling en overige delicten. Binnen deze typen kan weer een onderscheid worden gemaakt tussen overtredingen en misdrijven. Overtredingen zijn voornamelijk lichte vormen van regelovertredingen zoals zwartrijden en vuurwerk afsteken buiten de daarvoor bestemde periode. Misdrijven zijn zwaardere strafbare feiten zoals (winkel)diefstal, inbraak, mishandeling, beroving of verkrachting.

(Laan A. v., 2011)

Cijfers

De jeugdcriminaliteit laat al sinds 2008 een daling zien. (Laan A. v., 2016). Dit is opmerkelijk omdat er juist efficiënter wordt geregistreerd. Ook vallen gedragingen die vroeger niet als crimineel gedrag werden gezien ( vechtpartijen bijvoorbeeld) nu wel onder het strafrecht. Het lijkt dus wel alsof het vooral de maatschappij is die verandert en niet zozeer de jeugd is waar eht slecht mee gaat. (Trix van Lieshout, 2018)https://www.researchgate.net/profile/Jaap_De_Waard/publication/314484605_Inleiding/links/58c7c46ba6fdcc550cabd7da/Inleiding.pdf#page=10

Risicofactoren

Er zijn meerdere risicofactoren te benoemen die samenhangen met de ontwikkeling van aanhoudend delinquent gedrag. Dit zijn oa: eerder gepleegde delicten, mannelijk geslacht, agressie, drugsgebruik, zwakke sociale banden, een onveilige gehechtheid, negatieve attitude tegenover school en huiswerk, laag non-verbaal IQ, psychologische condities, lage sociaal-economische status van het gezin, antisociale ouders, conflicten tussen ouders en inadequate opvoedingsmethoden van ouders, omgevingsfactoren.

Voor meisjes blijkt een aantal risicofactoren in het individuele domein en het gezinsdomein van belang. Dit gaat dan om psychische klachten, vroegtijdige rijping, slechte relatie met de moeder. Veel van deze meisjes geven gedragsproblematiek weer door aan hun kinderen, die deze vaak op jonge leeftijd al vertonen.

Op een probleemsituatie kun je externaliserend of internaliseren regeren. Bij internaliserend gedrag ziet de jongere zichzelf als een belangrijke oorzaak of hij betrekt het probleem op zichzelf. Gevolgen hiervan kunnen zijn: een negatief zelfbeeld, stress, eetproblemen en depressie. Dit gedrag is niet altijd zichtbaar aanwezig, externaliserend gedrag juist wel. Hierbij reageert de jongere zich af op anderen of zijn omgeving. Dit uit zich in bijvoorbeeld spijbelen, criminaliteit of andere riskante gewoonten.

Volgens onderzoek van van Hamerlynck had 90% van de jongens in een jeugdgevangenis of -inrichting een psychische stoornis. Ook de meeste meisjes met agressief gedrag in gesloten justitiële inrichtingen hadden een externaliserende psychische stoornis.

Gezien deze hoge co-morbiditeit wordt er al jaren voor gepleit dat justitie en gezondheidszorg nauwer samenwerken en dat er naast straf ook altijd behandeling nodig is. (Trix van Lieshout, 2018)

Ontstaan van delinquentie

Agressie wordt beschouwd als de belangrijkste factor voor het ontstaan van delinquentie. Daarnaast is antisociaal gedrag een voorbode van delinquentie bij jong volwassenen. Hierbij zijn veel jongeren met de diagnose CD (Conduct Disorder) Bij CD zijn er tekorten en vervormingen in de sociale informatieverwerking. Er is ook vaak sprake van een tekortschietende emotionele zelfregulatie.

Ongeveer de helft van de jonge starters ( stoornis voor het 8stejaar) behoud serieuze problemen in de volwassenheid. Bij de late starters is dit maar 15%. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat zij vaak geen deel meer uitmaken van een bepaalde vriendengroep en ze zijn beter toegerust met sociale en schoolse vaardigheden. (Trix van Lieshout, 2018)

Risicofactoren bij migrantenjongeren

Niet-westerse migranten worden ongeveer 4x zo vaak verdacht van een misdrijf als de andere Nederlanders. Met name Nederlands-Marokkaanse jongeren zijn oververtegenwoordigd in de jeugdcriminaliteit.

Voor migranten jongeren bestaan veel risicofactoren. O.a de lage sociaal economische status, armoede en de sociale controle (men kan geen beroep doen op familie vanwege de schande) kunnen zorgen voor een groter risico. Daarnaast is er nogal eens een ongunstig pedagogisch klimaat met een autoritaire opvoedingsstijl en de machtsverhoudingen zijn vaak verstoord. Zonen hebben het voor het zeggen en worden verwend. Daardoor ontwikkelen jongeren grote ego’s en korte lontjes.

Verder is de migratie voor de ouders stressvol en is er een groot cultuurverschil tussen gezin, school en straat. De jongeren hebben grote behoefte aan erkenning, veiligheid en vertier, waardoor ze in achterstandswijken worden aangezet tot crimineel groepsgedrag. Dit samen met het gegeven dat ze drie keer vaker werkeloos zijn dan andere Nederlanders lijkt delinquent gedrag een snelle, aantrekkelijke route naar succes en status in de buurt.

Migrantenjongeren hebben vaker psychosociale problemen vanwege het ontbreken van huiselijkheid, warmte, veiligheid en gesprekken over bijvoorbeeld eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast krijgen migrantenjongeren relatief veel te maken met huiselijk geweld (60% tegenover 21% van de Nederlandse jongeren) en heeft discriminatie een negatieve impact. (Trix van Lieshout, 2018)

Psychodynamische benadering

Hierin staat het waarom en de betekenis van het probleemgedrag in combinatie met de relatie met de ander centraal. Er is een volledige acceptatie van de persoon en van daaruit worden positieve relaties opgebouwd.

Belangrijk is er achter te komen wat de betekenis is van het gedrag. Zit het in het cognitieve aspect (denken), het vaardigheidsaspect (doen), het emotionele aspect (voelen) of het waardeoriëntatieaspect (willen). Daarnaast zijn de omgevingsfactoren en de beschermende en beperkende factoren van belang.

Een plan van aanpak wordt samen met de jongere opgesteld. Het plan moet o.a gericht zijn op een affectieve benadering (gevoelens), een gedragsregulerende benadering ( correctie van het gedrag), een informatieve benadering (inzicht bevordering) en een motiverende benadering (vergroten van motivatie).

De jongere moet alternatieven aanleren waardoor hij beter kan leren omgaan met zijn negatieve reactie op moeilijke situaties (Lambert Rooijendijk, 2011).

Cognitief-gedragstherapeutische benadering (CGT)

De gedragsbenadering

Bij de CGT wordt gebruik gemaakt van het ABC-schema. Hierbij wordt gekeken naar concreet, objectief waarneembaar gedrag. Wat is het gedrag (Behaviour), wat is er aan vooraf gegaan ( Antecedent) en wat zijn de gevolgen (Consequenties). Doordat de gevolgen gemanipuleerd worden kan het gedrag (de Respons) veranderd worden. Dit is operante conditioneren. Wanneer de prikkel ( Stimulus) voorafgaand aan het gedrag gemanipuleerd wordt spreek je van klassieke conditionering.

De sociale leertheorie wordt ook tot de gedragstherapeutische benadering gerekend. Hierbij wordt er van uit gegaan dat de mens vooral leert van zijn sociale omgeving en wat de gevolgen van bepaald gedrag zijn op de omgeving.

De cognitieve benadering

De cognitieve benadering gaat er vanuit dat de mens zijn hele leven cognitieve schema’s opbouwt over zichzelf, de wereld en anderen. Dit gebeurt naar aanleiding van ervaringen en gedachten. De cognitieve therapie probeert negatieve, belemmerende gedachten en ervaringen te herstructureren en om te zetten in positieve helpende gedachten, waardoor men ander leert omgaan met problemen. Schematherapie bestaat uit drie stadia: bepaling van de huidige gedachten, tegenargumenten opsporen en alternatieve gedachten creëren die helpen de probleemsituatie beter te hanteren.

Bij de RET (rationeel emotieve therapie) wordt er vanuit gegaan de niet de gebeurtenissen zorgen voor de negatieve gevoelens maar de gekleurde bril waardoor iemand de dingen ziet. Men leert anders te kijken naar dezelfde situatie en zo niet-helpende gedachten te vervangen door helpende gedachten.

Mindfulness therapie wordt ook aan de cognitieve benadering toegevoegd. Bij mindfulness wordt geleerd dat alle gedachten er mogen er zijn, ook de negatieve, maar de aandacht wordt naar de ademhaling gericht. Je accepteert alles wat ik je opkomt en maakt onderscheidt tussen gedachten en feiten. Belangrijk is het hier en nu.

Experiëntiële, ervaringsgerichte benadering

Deze benadering is gericht op het inzicht krijgen in jezelf en door middel van reflectie op je eigen handelen je gedrag veranderen.

Oplossingsgericht werken

Deze methode richt zich op wat de persoon al kan. Hijzelf is de expert in het vinden van oplossingen. Er wordt met kleine stapjes toegewerkt naar een groter doel; de wondervraag. Deze vraag is: hoe ziet je leven eruit als het probleem weg is. Door door te vragen, te vragen naar hulpbronnen en geen oplossingen aan te bieden probeert de hulpverlener een zo goed mogelijk beeld van de oplossing te krijgen.

Systeemtheoretische benadering

De systeemtheoretische benadering richt zich op het systeem rondom de hulpvrager. Hierbij wordt gekeken naar wat voor invloed iemands gedrag heeft op zijn omgeving en andersom. In deze benadering wordt vaak gebruik gemaakt van gezinstherapie met video interactie.

Een andere benadering is de contextuele benadering. De grondlegger hiervan was Nagy. Hij beschouwt de dialoog als belangrijkste voor alle menselijke relaties en de individuele mens. Belangrijk in zijn zienswijze is de meerzijdige partijdigheid. Alle partijen krijgen gelijkelijk erkenning.

Neurobiologische benadering

Hierbij moet wel rekening worden gehouden dat de kloof tussen wetenschappelijk onderzoek en de klinische praktijk nog steeds groot is.

De neurobiologische benadering gaat er vanuit dat de hersenen een grote invloed hebben op het cognitief EN sociaal-emotioneel functioneren van mensen.

Voor ons is vooral van belang dat de hersenontwikkeling van adolescent nog volop bezig is. Opvallend hierin is dat de adolescent nog niet optimaal de gevolgen van zijn acties kan overzien. De adolescent wordt over het algemeen gestuurd door de directe behoeftebevrediging en het ergens bij willen horen. Dit maakt dat de emotieregulatie nog in ontwikkeling is. Tijdens de late adolescentie (18-22) worden de hogere cognitieve processen ontwikkelt. Zij zijn verantwoordelijk voor de organisatie van ons denken, voelen en handelen. Dit maakt dat het zelfinzicht en de zelfregulatie vergroot wordt. (Lambert Rooijendijk, 2011)

BEHANDELING

Het belangrijkste in de behandeling en preventie van vandalisme en jeugdcriminaliteit is toch simpelweg het gewone, alledaagse aanwezig zijn voor de jongere. Deze aanwezigheid zou zich bij risicojongeren moeten uiten in structuur, aandacht, liefde en betrokkenheid. Structuur bestaat uit grenzen stellen en consequent zijn. Daarbij moet er wel rekening gehouden worden met dat het voor de jongere haalbaar is. Dus kleine stapjes waardoor positieve ervaringen opgedaan kunnen worden.

Bij de aanpak van probleemgedrag zijn er meerder methodes om te proberen het probleem gedrag te stoppen. De eerste methode die het eerst zou moeten worden opgepakt is de systeemgerichte aanpak. Ouders leren hierbij (weer) door een positieve aanpak de sociale leerprocessen van hun kind te bevorderen. Ouders zien vaak alleen nog de negatieve kanten van hun kind en moeten gewezen worden op de positieve. In de praktijk blijkt dat de systeem gerichte benadering niet altijd als eerste aangepakt wordt waar door jongere misschien wel ander gedrag aan leert maar het systeem niet. Dit zorgt ervoor dat de jongere weer snel in zijn oude gedrag zal vervallen.

Bij een misdrijf zouden ouders via niet-vrijblijvende vormen van opvoedingsondersteuning betrokken moeten worden om erger te voorkomen.

Jongeren moeten bezig gehouden worden en leren dat ze met positief gedrag verder komen. Hierbij is medewerking of in ieder geval instemming van het systeem zo goed als onmisbaar.

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdcriminaliteit/aanpak-jeugdcriminaliteit

Wanneer een jongere voor het eerst met justitie in aanraking komt kan hij in aanmerking komen voor een Halt-straf. Dit is wel afhankelijk van het delict wat gepleegd is en of de jongere heeft bekend. Wanneer de jongere heeft bekend mag hij deelnemen aan een Halt traject. Wil de jongere niet deelnemen dat komt hij in het normale traject van het Openbaar Ministerie terecht.

https://www.halt.nl/media/1201/e-book-hoe-voorkom-je-jeugdcriminaliteit.pdf

Wanneer jongeren klinisch behandelt worden is er vaak al veel hulpverlening aan vooraf gegaan. Vaak zijn de jongeren al eerder in aanraking geweest met politie en justitie en is de problematiek complex. Nadeel bij de keuze voor een residentiele instelling is dat de jongeren probleemgedrag van elkaar gaan overnemen. De groepsleiding moet dus het positieve rolmodel zijn. De instelling moet zorgen voor een theoretische en praktische scholing, zodat de jongere een perspectief heeft. Hierna is intensieve nazorg nodig.

Bij begeleiding van de (jeugd)reclassering (ITB) krijgt de jongere de keuze tussen de gevangenis ingaan of mee werken aan een hulpverleningsprogramma. Bij dit laatste wordt van de instanties en personen om de jongere heen gevraagd hem goed in de gaten te houden. Gaat hij toch weer de fout in dan volgt alsnog de gevangenis.

Hoe om te gaan met een probleemjongere op school.

Zoals we al hebben beschreven komt veel probleemgedrag van jongeren voort uit een min of problematische thuissituatie. Daarom moet er wanneer het niet goed gaat met een jongeren ook zeker gekeken worden naar de thuissituatie. Contact met de ouders is dus belangrijk. In het contact met de ouders is het belangrijk om rekening te houden met het verschil in hiërarchie. Dit speelt op meerdere gebieden, bijvoorbeeld op het gebied van betrokkenheid, verantwoordelijkheidsgevoel en deskundigheid.

Daarbij zal er sprake zijn van loyaliteit. Zowel van de ouder naar het kind als van het kind naar de ouder als het gaat om een moeizame thuissituatie. Een tip is om eens stil te staan bij je eigen loyaliteit op dit gebied.

Het doel van het oudercontact moet het welzijn van de leerling zijn. Hiervoor is het dus noodzakelijk dat ouders en school partners worden in het begeleiden van de leerling. Zorg er altijd voor dat de ouders zich gerespecteerd voelen. (Teitler, 2014)

Hieronder volgen tips die in het algemeen gebruikt kunnen worden bij jongeren die ongemotiveerd zijn. (Kralingen, 2018)

  • Stel duidelijke, concrete eisen aan de werkhouding.
  • Geef de leerling een plaatsje vooraan in de klas.
  • Zoek geregeld (oog)contact met de leerling
  • Maak geregeld een aanmoedigende opmerking; ‘betrap’ de leerling op goed gedrag
  • Probeer niet boos te worden, maar leg geregeld uit welk gedrag je wilt zien
  • Vat af en toe nog even samen wat je van de leerling verwacht
  • Wanneer je ziet dat de leerling gefrustreerd raakt of vermoeid wordt leidt hem dan af met een andere, gemakkelijkere opdracht.
  • Probeer de emoties van de leerling te benoemen en toon begrip hiervoor.
  • Vertel de leerling hoe hij kan aangeven dat hij zich boos of gefrustreerd voelt
  • Leg de leerling uit wat er is misgegaan bij een ruzie , zodat hij kan leren van die ervaring.
  • Leg de leerling uit wat anderen van hem verwachten.

Hoe om te gaan met jongeren met agressief en/ of anti sociaal gedrag in de klas.

Belangrijk bij het omgaan met grensoverschrijdend gedrag is dat je als docent zorgt dat je niet in een kwetsbare positie terecht komt. Dit kun je voorkomen door er voor te zorgen dat je nooit alleen bent wanneer een leerling agressief gedrag vertoont. Laat je daarnaast nooit verleiden tot geheimhouding. Wanneer een leerling vraagt om iets stil te houden zeg dan altijd dat je dat niet kunt beloven.

Hieronder bespreken we een paar specifieke gedragingen die voor kunnen komen in de klas.

Probleemgedrag:

De jongere heeft een negatieve instelling, vaak ruzie, spreekt tegen, wordt snel driftig en houdt weinig rekening met anderen. Hij pest, intimideert, bedreigt en zet aan tot vechten.

Aanpak:

  • Zorg dat de grenzen duidelijk zijn. Keur fysiek en verbaal agressief gedrag af en geef een gedragsalternatief. Doe dit rustig en liefst zonder hem aan te raken of indringend aan te kijken. Laat je niet verleiden tot discussie, word niet boos en laat je niet provoceren.
  • Bespreek de situatie later eventueel ook met de groep. Laat de jongere zelf gedragsalternatieven bedenken.
  • Spreek naar aanleiding hiervan een duidelijk stopinstructie af.
  • Bekrachtig positief en gewenst gedrag. Probeer dit ook op onverwachte momenten te doen, dus benoem het wanneer je het ziet.

Besef dat begrip belangrijk is, maar grenzen stellen ook.

Probleemgedrag:

De jongere denkt dat iedereen tegen hem is en weet niet beter dan dat agressie de enige oplossing is. Hij kan zich slecht verplaatsen in anderen en interpreteert het gedrag van anderen verkeerd. Hij heeft een gebrek aan probleemoplossend vermogen.

Aanpak:

  • Probeer door vragen te stellen de gedachten van de jongere te veranderen. Bijv: hoe zou jij het vinden als…..? Hoe denk jij dat de ander………? Wat zou jij zelf doen als………?

Probleemgedrag:

Reactieve agressie. De jongeren ontsteekt snel in woede zonder na te denken Hij scheldt schopt en slaat. Het is een reactie op een gebeurtenis.

Aanpak:

  • Stel een time-out in bij een ruzie. Laat de gemoederen tot rust komen en praat het conflict pas later uit.
  • Laat hem in eerste instantie uitrazen, luister, vraag door, toon begrip en geef erkenning.
  • Maak eventueel gebruik van getuigen, bespreek het in een kleine groep.
  • Probeer de groep te leren het impulsieve gedrag af te remmen en niet te voeren. En de leerkracht te roepen wanneer het dreigt mis te gaan.
  • Probeer de jongere te leren dat hij zijn woede adequaat verbaal uit, dat hij aanvoelt wanneer de boosheid opkomt, dat hij zelf een time-out neemt (bijvoorbeeld tot 10 tellen) en hardop te verwoorden wat hem dwarszit voordat hij boos wordt.

Probleemgedrag:

De jongere roddelt, sluit anderen uit, stookt, bedreigt, chanteert en sleept anderen mee. Dit gedrag komt meestal bij meisjes voor.

Aanpak:

  • Richt je op de groep. Leer de groep het gedrag te herkennen.
  • Probeer de volgers zich er van bewust te maken dat ze volgers zijn.
  • Probeer de buitenstaanders sterker te maken en stelling te nemen tegen het gedrag.
  • Leer de groep duidelijke grenzen stellen.

Probleemgedrag:

De jongeren is instrumenteel agressief, houdt zich moeilijk aan grenzen, eist de aandacht op, drijft zijn zin door. Hij liegt om verplichtingen te ontlopen.

Aanpak:

  • Neem zwakkeren in bescherming
  • Spiegel het gedrag van de jongere en reik hem alternatieven aan.
  • Bespreek het gedrag zo snel mogelijk na het incident.
  • Benoem telkens weer het gedrag en de consequenties
  • Voer de consequenties ook uit.
  • Bespreek het ‘zakelijk’.
  • Laat hem altijd de schade herstellen
  • Gebruik een ‘goed gedrag’ kaart.
  • Beloon alleen positief gedrag.

Probleemgedrag:

De jongere geeft anderen de schuld van zijn fouten, hij toont geen verantwoordelijkheidsgevoel, heeft geen motivatie zichzelf te veranderen, heeft geen probleembewustzijn. Hij mist schuld- en schaamtegevoel. Hij speelt anderen tegen elkaar uit en heeft een gebrekkige gewetensontwikkeling. De kans op veelvuldig spijbelgedrag is groot.

Aanpak:

  • Geef zelf het goede voorbeeld. Laat zie dat sociaal gedrag meer loont dan negatief gedrag. Dus wordt niet boos.
  • Leer hem verantwoordelijkheid te nemen door hem excuses te laten maken en schade te herstellen.
  • Maak hem bewust van zijn eigen gedrag en keuzes.
  • Zorg voor directe communicatie met de anderen over wie hij klaagt.
  • Zorg voor rechtstreeks contact met de ouders om te voorkomen dat hij gaat uitspelen.
  • Betrek hem bij het bedenken van oplossingen en geef hem hierin keuzes.

Grijp zo snel mogelijk in bij spijbelen via de leerplichtambtenaar en eventueel de rechter. (Trix van Lieshout, 2018)