Dwangstoornissen:

Concrete omschrijving/algemene kenmerken:

Een dwangstoornis, ook vaak obsessieve-compulsieve stoornis genoemd, is een psychische aandoening. Een psychische aandoeningbetekend een aandoeningdie wordt gekenmerkt door afwijkend gedrag. Dwangstoornissen, in Nederland ook wel bekend als dwangneurose wordt als angststoornis gecategoriseerd in de DSM-5 en staat in een apart hoofdstuk over obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen.

Obsessief wil zeggen dat de beleving verontrustend is. “Bij obsessies of dwanggedachten gaat het om herhaalde, aanhoudende, angstopwekkende gedachten, impulsen of beelden die worden ervaren als opgedrongen” Lieshout & Deth (2018).

De compulsieve innerlijke beleving is “rustgevend” bedoeld, het gaat hierbij om het neutraliseren van de onrust.Het dwanggedrag is gericht op het voorkomen of verminderen van spanning of het vermijden van een gevreesde situatie.

Vormen van dwangstoornis:

Angst

De gedachten die iemand met een dwangstoornis heeft blijven constant terugkeren. Deze gedachten worden veelal beleefd als impulsen of voorstellingen die worden opgedrongen. Iemand met een dwangstoornis wil constant de controle houden. Deze zorgen voor angst of spanning en beheersen iemands leven.

Voorbeelden van deze (intrusies) gedachten zijn:

    • misschien ben ik vergeten de kaarsen uit te doen waardoor er brand ontstaat.
    • ik kan iemand zomaar in het kruis grijpen.
    • Ik denk dat ik grove fouten maak met ernstige gevolgen.
    • Ik moet bij binnenkomst in huis de lampen 10x aan en uit doen.

Agressieve gedachten.

Tevens kunnen de gedachten van mensen met een dwangstoornis agressief zijn. Het gaat hierbij om de gedachten en niet het uitvoeren van agressief gedrag.

    • zichzelf over de reling gooien
    • een baby uit het raam gooien
    • je vingers in het stopcontact of in een cirkelzaag steken

Voorbeelden van agressieve gedachten zijn:

    • mensen voor de trein willen duwen
    • iemand glas in zijn gezicht willen duwen
    • wensen dat iemand ernstig ziek wordt

Smetvrees.

Een van de meest voorkomende vormen van een dwangstoornis is smetvrees. Hierbij overheersen dwangmatige gedachten die er voor zorgen dat alles als vies kan worden gezien. Ook bestaan er gevoelens dat mensen constant vies zijn. Het maakt daarbij niet uit hoe vaak de handen worden gewassen. Tevens worden er maatregelen genomen om vuil buiten de deur te houden. Mensen zijn niet welkom of mogen sommige ruimtes niet betreden. Ook wordt er van bezoekers verwacht dat ze van materiaal in de woning afblijven.

Klik hierom te zien hoe iemand leeft die te maken heeft met een dwangstoornis.

Oorzaken:

Terugkerende gedachten bij OCS zouden ontstaan door catastrofaal interpreteren van ongewenste gedachten. De daarop volgende dwanghandelingen worden uitgevoerd om de dwanggedachte te verminderen. Men is dan ergens mee bezig.

Dwangklachten hebben vaak een samenhang met de karakterstructuur. Perfectionisme is een goed voorbeeld waaruit dwanggedrag kan ontstaan. Het kind wil dat zaken op een bepaalde manier gebeuren vanuit het verstand en minder vanuit het gevoel. Vaak voelt de directe omgeving zich gedwongen mee te doen met het dwanggedrag om het kind gerust te stellen.

Men gaat er in zijn algemeenheid vanuit dat de interactie van genetische-en omgevingsfactoren de vatbaarheid voor het ontwikkelen van OCS veroorzaakt.

Psychologische factoren.

Bij psychologische factoren wordt er gerefereerd naar onze oerdriften. Het herhalen van succesvol gedrag in de bescherming tegen indringers of onhygiënische omstandigheden zit ons diep van binnen nog steeds in de genen.

Genetische factoren.

Ouders met OCS hebben een grote kans dit door te geven aan hun kinderen. De psychologische factoren komen daarbij terug. Genetische factoren spelen een grote rol in het ontwikkelen van OCS. Adolescenten en volwassenen met OCS hebben in hun kindertijd ook symptomen van OCS ervaren.

Hersenbeschadiging.

OCS kan een gevolg zijn van hersenbeschadiging. Dit kan gebeuren na het doormaken van o.a.:

    • Encefalitis (een ontsteking van het hersenweefsel)
    • Streptokokkeninfectie (de invasieve infecties kunnen leiden tot bloedvergiftiging, hersenvliesontsteking of het afsterven van weefsel)

Neurologische afwijkingen.

Neurologische afwijkingen zouden de basis voor het ontwikkelen van OCS vormen. De hersenactiviteit van een OCS-patiënt zou afwijken van die van gezonde personen. Tevens is er in MRI onderzoeken een verhoogde hersenactiviteit waargenomen. Deze zou plaatsvinden in de prefrontale schors. Bij emotionele functies, plannen, sociaal gedrag en impulsbeheersing wordde prefrontale cortex betrokken.

Ook is er meer hersenactiviteit in de staartkern. Hierin zijn functies als motoriek en het beloningsysteem aanwezig.

Bij deze impulsbeheersing en het selecteren van handelingen treedt er een verstoring van communicatie op. Het belonen van beslissingen, en de gedachten die daarbij horen, zijn allen onderdeel van OCS.

Behandelmethoden voor mensen met OCS:

“Op basis van drie cognitief-gedragstherapeutische elementen (exposure, responspreventie en cognitieve aanpak) is voor kinderen en jongeren het programma Bedwing je dwangopgezet” Lieshout & Deth (2018). Bedwing je dwang richt zich op het stoppen van dwangrituelen en het veranderen van dwanggedachten door middel van blootstelling (exposure), responsepreventie en cognitieve therapie. Een voorbeeld is dat jongeren leren hoe ze iets anders kunnen interpreteren. Tevens zijn er ontspanningsoefeningen en assertiviteitstrainingen. Van daaruit kan er anders op de angst gereageerd worden. Ook wordt de omgeving betrokken bij deze therapie.

Tevens zijn er veel jongeren die baat hebben bij SSRI’s. Deze serotonineheropnameremmers verminderen depressieve klachten en daarmee de negatieve stemmingsgedachten zoals bijvoorbeeld schuldgevoel.

Over het algemeen zijn resultaten op de lange termijn niet positief. De helft van de patiënten is ook na behandeling niet of onvoldoende hersteld.

Begeleiding in het onderwijs:

Schep een klimaat wat pedagogisch verantwoord betrekking heeft op veiligheid, respect, vertrouwen en tolerantie. Van fouten kan je leren en dus is het niet erg.

Voorzichtig prikkelen van mensen met een angststoornis kan goed werken. Bescherming en ruimte om langzaam de grenzen te verleggen zijn voorwaarde voor deze aanpak.

Besef dat affectieve aanpak goed werk bij jongeren. Ga niet te makkelijk met het probleem om. Neem het probleem serieus, ook als er geen logische redenen voor angst zijn. Mensen met een angststoornis weten niet waar de angst vandaan komt maar het is er.

Maak het bespreekbaar in de klas. Het erkennen van de angst en hoe de groep er mee omgaat kan daarbij besproken worden.

Geef positieve bevestiging en creëer succesmomenten. Het voeden en belonen van gewenst gedrag zorgt voor een situatie waarin succes vrijwel zeker is.

Prijs betrokkenen wanneer deze niet angstig is en maakt diegene bewust van het moment. Herinner hem aan het moment wanneer het kind wel angstig wordt.

Verander het perspectief van de dreiging naar het zien van een uitdaging. Biedt ruimte voor de ontwikkeling van deze andere kijk.

Leer de kinderen coping vaardigheden aan door het te leren “zichzelf moed in te spreken” ”ontspannen op zijn ademhaling te letten en bewust na te gaan wat hem angstig maakt.

“Laat hem merken hoe positieve gedachten je een goed gevoel geven en je dan gemakkelijker kunt gedragen (de G-G-G-G-methode: Gebeurtenis, Gevoel, Gedrag, Gevolg). Dit in plaats van catastrofale negatieve, belemmerende gedachten als: íedereen zal mij straks uitlachen’. Dat geeft een vervelend gevoel, dat je kan verlammen” Lieshout & Deth (2018).

Het leren bewust worden van de angst is een grote stap. Aangeleerde gewoontes, het vermijden van situaties die te maken hebben met de angst, of het veranderen van het perspectief kosten veel tijd en zijn niet zomaar opgelost.

Stimuleer de ouders en het kind om hulp te zoeken indien nodig. Verdiep jezelf als docent in de angststoornis en maak afspraken binnen het lerarenteam over de eenduidigheid en het consequent toepassen van de begeleiding en regels m.b.t. de angststoornis.

Wanneer er echter vaker dan gemiddeld dwingend of agressief gereageerd wordt op het gedrag kan er een wisselwerking plaatsvinden. Het kind leert dan dat deze reactie normaal is. Het gevolg kan een machtsstrijd zijn waarop de focus op het ongewenste gedrag ligt waardoor het probleemgedrag alleen maar word uitgelokt. Zo ontstaat een patroon van de wisselwerking tussen kinderen en hun ouders.

Wisselwerking met leeftijdgenoten.

Op een vergelijkbare manier kan een negatieve wisselwerking met leeftijdsgenoten ontstaan.

De sociale vaardigheden die ontwikkelt worden op jonge leeftijd staan in het teken van interactie met leeftijdsgenoten. Wanneer dit door gedragsproblemen gehinderd of beperkt wordt kunnen er kansen gemist worden voor een positieve sociale ervaring. Afwijzing van leeftijdsgenoten kan dan bijdragen aan de ontwikkeling van gedragsproblemen. Wanneer de omgeving bestaat uit leeftijdsgenoten die ook gedragsproblemen hebben kan dit elkaar versterken.

Leeftijd.

Door gedragsproblemen of patronen te herkennen kan een indeling worden gebruikt om probleemgedrag te typeren. Dit geldt zowel voor kinderen als adolescenten. Deze patronen kunnen al worden gevonden bij kinderen vanaf twee jaar.

Stabiliteit van de patronen.

Deze patronen kunnen worden gemeten over meerdere jaren. Er is gebleken dat de internaliserende problemen stabiel blijven met de jaren. Er is geen toeval in de reactie van personen of de omstandigheden die een oorzaak zijn, maar diepgewortelde gedragspatronen die individuen kenmerkt. Ook maken de patronen geen onderscheid in geloof, cultuur of ras.

Verbanden met anderen ziekte.

Internaliserende problematiek wordt gekenmerkt door mensen die zich minder gezond voelen. Het verband met andere symptomen van psychische problemen kan samenhangen met het hebben van minder vrienden en zwakkere school prestaties. Tevens wordt ook minder bewegen en sporten gezien als verband naar internaliserende problemen.

Begeleiding bij internaliserende problemen:

Bewust zijn van het probleem en correct en consequent handelen zorgt voor een beschermende factor. Een omgeving die zich inzet voor het kind, en die bereid is goed samen te werken met de school en de hulpverlening, vormen een omgeving waarin het probleem kan worden aangepakt. Internaliserende problemen van het kind vragen om een intensieve samenwerking van een professional, de omgeving en meerdere informele steunfiguren die kunnen bijdragen aan het voorkomen van de ontwikkeling van de internaliserende problematiek.

Begeleiding bij internaliserende problemen in het onderwijs:

Preventief werken

Maatregelen die preventief werken bij gedragsproblemen uit het boek Gedragsproblemen in de klas, van Anton Horeweg (2015).

  • Zet de relatie met de leerlingen voorop, bewaak tevens de relatie tussen de leerlingen.
  • Gebruik de rol van de gastheer en vang de leerlingen op bij de deur aan het begin van de les. Dit is het moment om af te kunnen lezen wat hun stemming is.
  • Wees duidelijk en voorspelbaar, zorg dat je goed te volgen bent.
  • Laat de kinderen succeservaringen opdoen en benoem die ook.
  • Heb hoge verwachtingen en spreek die ook uit.
  • Behandel iedereen gelijkwaardig, maar niet gelijk.
  • Signaleer leerproblemen tijdig en pak ze aan, want als ze langdurig voorkomen kunnen er gedragsproblemen bij komen.
  • Wees je bewust van jouw leerkrachtgedrag: het juiste voorbeeld door jouw handelen kan problemen voorkomen.

Probleemgedrag aanpakken.

Wanneer er sprake is van probleemgedrag kan er gebruik worden gemaakt van observatie- instrumenten. Deze instrumenten brengen het gedrag zo objectief mogelijk in kaart.

Het kan de docent bewust maken van het gedrag waardoor het beeld kan worden bijgesteld.

De observatie kan anders uitwijzen dan het gevoel van de docent.