De grondslagen en hoofdstromingen van de groepsdynamica

De veldtheorie (Lewin).

De sociaalpsycholoog Kurt Lewin ontwikkelde de veldtheorie. Deze theorie geeft aan dat het gedrag (G) van mensen een functie is van het karakter (K) en de omgeving dan wel situatie (S). De veldtheorie in formule vorm is dan G = f (K x S). Lewin geeft aan dat het gedrag van de groep een gevolg is van het karakter van de groepsleden en de omgevingsfactoren. Lewin probeerde tevens het antwoord te vinden op de vraag of een groep meer is dan een verzameling individuen bij elkaar. Karakter wil zeggen dat er een combinatie van vaste innerlijke eigenschappen bij een persoon aanwezig zijn. Deze combinatie bepaald hoe een persoon met bepaalde dingen omgaat. De situatie kan gezien worden als een opleiding, werk, gezin of andere sociale situaties, tevens kunnen omgevingsfactoren worden aangegeven als: aantal groepsleden, onzekerheid in de omgeving en het gezamenlijke doel van de groep. Het gedrag (G) is daarbij de uitkomst van boven genoemde (K) en (S). “De veldtheorie deelt samen met de systeemtheorie een sterke belangstelling voor de processen waarmee groepen intern een evenwicht proberen te handhaven” (Remmerswaal, 2015).

De sociale-interactietheorie (Bales).

Het gedrag van mensen in relaties, groepen en organisaties word gezien als interactie tussen mensen. De manier waarop en hoe dit gebeurt komt vaak voort uit de intentie die mensen terug vinden in hun eigen waarden. Deze waarden bepalen in belangrijke mate het gedrag van de personen binnen de groep. In plaats van alleen het gedrag van één iemand binnen de groep wordt in de sociale-interactietheorie gekeken naar de interactie van mensen als groep en het gedrag wat daar bij hoort, ook wel sociale dynamiek genoemd. Wanneer mensen hun werkelijkheidsbeleving willen begrijpen kunnen zij hun gedrag observeren d.m.v. twee analyses: een vragenlijst en de interactie proces analyse. De sociale-interactietheorie geeft een kijk op de sociale dynamiek in relaties, groepen en organisaties. Het effect is het bewust worden van eigen gedrag van mensen en de perceptie van dit gedrag door anderen. Het doel is van daaruit veranderingsmogelijkheden te onderzoeken.

De systeemtheorie.

Binnen de systeemtheorie wordt er gekeken naar een breder kader dan alleen het individu. Juist het individu in zijn omgeving biedt een bepaalde context waarnaar gerefereerd wordt binnen de systeemtheorie. Deze theorie geeft aan dat alles met elkaar samen hangt. Dit geldt dus niet alleen voor groepsdynamica. Tevens gaat de theorie ervanuit dat veel gedragingen verklaard worden door het omgevende systeem. Het gezin is een voorbeeld van een context omgevend systeem wat invloed heeft op het gedrag van het individu. Tevens geeft de theorie aan dat we objecten vanuit een breder perspectief kunnen bestuderen. Er ontstaat een beter begrip wanneer mensen de sociale werkelijkheid breder bekijken. Er is daarom veel aandacht voor de structuur waarbinnen deze gedragingen een onderling verband hebben. “ Systeemtheorie is vooral geïnteresseerd in hoe systemen (zoals groepen) tot verandering komen of stabiliteit handhaven” (Remmerswaal, 2015). Deze stabiliteit, ook wel evenwicht genoemd, heet in systeemtermen: homeostase. Het systeem bepaalt daarin het gedrag van de individuen en heeft daarmee het doel te handhaven, overleven en te blijven voortbestaan.

Plaats van groepsdynamica in de wetenschap

‘’Groepsdynamica laat zien hoe individuele en maatschappelijke aspecten met elkaar samenhangen.’’

Groepsdynamica positioneert zich tussen psychologie en sociologie. Groepsdynamica houdt zich bezig met de sociaal-psychologische processen die zich in een groep afspelen. De groepsdynamica is een jonge tak van de sociale wetenschappen en kwam kort voor de oorlog tot ontwikkeling. Dit onder leiding van de psycholoog Kurt Lewin, die sociaal psychologische experimenten met kleine groepen volbracht. Bij deze experimenten werd veel aandacht besteed aan praktische problemen zoals de wijze waarop een besluit in de groep tot stand komt of de invloed die verschillende soorten leiderschap op de activiteiten van de groep uitoefenen. Groepsdynamica gaat niet alleen over zuiver wetenschappelijk onderzoek; het kan ook een verbindingsschakel zijn tussen wetenschappelijk onderzoek en sociale actie. Dit uit zich in directe praktische toepassing, bijvoorbeeld in de vorm van het trainen van leiders in bedrijven, discussiegroepen of scholen. De psycholoog Kurt Lewin voerde zijn experimenten uit op de Iowa State University in Amerika en vanuit daar zette hij het ‘Research Center for Group Dynamics’ op. Vanuit Amerika is de theorie over groepsdynamica overgebracht naar Nederland (TH. J. IJ. 2016.) .

Definitie van de groepen en soorten groepen

Primaire en secundaire groepen

Een groep is een kleine groepering waarvan de leden regelmatig en intensief met elkaar omgaan. Er zijn gemeenschappelijke waarden en normen en er is sprake van een grote mate van saamhorigheid. Primaire groepen zijn relatief kleine groepen. Er is een grote mate van intimiteit tussen de groepsleden. Voorbeelden zijn het gezin, familie, speelgroepjes, peergroups, zeer goede collega’s etc. De intimiteit en saamhorigheid is van grote invloed en bepalend voor het gedrag (op latere leeftijd) en de houding. Secundaire groepen(bedrijf, leger, universiteit, vakcentrale) zijn geen echte groepen. Minder belangrijk voor de sociale vorming dan de primaire groep maar worden wel gevormd vanuit de basis die is gelegd door de primaire groep. (de Jager, Mok, & Berkers, 2014, pp. 187, 188)

Formele en informele groepen

Een formele groep is een groep die is ingedeeld. Deelname is niet vrijwillig en leden kunnen geen invloed uitoefenen op de samenstelling van de groep (werkgroep, studiegroep, onderzoeksgroep etc.). Een informele groep ontstaat vrijwillig, deelname is niet verplicht (vriendengroep, kookclub, sportclub etc.).

De referentiegroep

De referentiegroep levert de waarden en normen waar iemand zich aan wil verbinden en dat wil uiten in houding en gedrag. Mensen hebben vaak verschillende referentiegroepen (leeftijdsgenoten, voorbeelden) tegelijk die in meer of mindere mate van invloed zijn (kleding, muziekvoorkeur, sport, etc.). Een referentiegroep kan ook bestaan uit een idool of fanclub. Soms sluiten mensen zich in houding en gedrag aan bij een referentiegroep waar ze ‘bij willen horen’. Dat gedrag heet anticiperende socialisatie (Merton, 1968). De referentiegroep waarvan men dan nog geen lid is heet ‘aspiratiegroepsring’ (de Jager, Mok, & Berkers, 2014, pp. 198, 199)

Leden van de groep

Het is van belang dat alle groepsleden informatie inbrengen. Ieder groepslid moet hierin een eigen verantwoordelijkheid in nemen. Een groep kent soms dwarsliggers of dominante groepsleden en zwijgers of kat uit de boom kijkers. Het is daarbij van belang dat er door de begeleider een omgeving wordt gecreëerd waarin alle groepsleden hun inbreng kunnen tonen. Dwarsliggers of dominante groepsleden moeten worden gecorrigeerd, zwijgers of kat uit de boom kijkers moeten worden gestimuleerd.

Homogeniteit en heterogeniteit

De ene groep bestaat meer uit (sociaal) gelijksoortige mensen dan andere (de Jager, Mok, & Berkers, 2014, p. 180). Hiërarchie (mate van hiërarchie) en aantalsverhoudingen (man/vrouw) zijn hierin bepalend. De mate van heterogeniteit en homogeniteit is een voorwaarde voor de toekomstige groepsactiviteit/dynamiek.

Hiërarchie Leiderschapsstructuur.

Wie staat boven wie? De mate van hiërarchie heeft invloed op de heterogeniteit in een groep. De heterogeniteit van de groepssamenstelling bepaalt in belangrijke mate de mogelijke groepsdynamiek. Heterogeniteit kan spanning verhogend werken terwijl uitkomsten meer genuanceerd zijn (meer divers, vanuit verschillende invalshoeken).

Doelen, waarden, normen en belangen

De vertaling van waarden of belangen zijn doelen en richtlijnen naar concrete acties of activiteiten. Gemeenschappelijk doelen houden de groep in stand en kan het gevoel van collectiviteit versterken. Waarden is de waardering die men hecht aan bepaalde gedragsvormen. Normen komen voort uit waarden en zijn regels die in de groep aan geven wat normaal is. Welk gedrag is goed of fout. Wat is beleefd of onbeleefd. Groepsnormen (zijn over het algemeen onuitgesproken) zijn gedragsregels die voor iedereen in de groep gelden. Ze ontstaan door gemeenschappelijke opvattingen. Voorbeelden zijn ‘Op tijd beginnen, redelijk blijven en niet emotioneel worden, conflicten vermijden, beslissing nemen als iedereen het ermee eens is’. Normen vergemakkelijken het samenwerken. Groepsnormen reguleren hoe groepsleden denken, praten en voelen. Relatie met groepsdruk en groepscohesie (voldoen aan…).

Conformeren aan groepsnormen:

• angst;

• onderdeel willen zijn van de groep;

• vermijden van conflict;

• vertrouwen op de meerderheid.

Onderscheiding groepsnormen:

1. formele (officieel en sanctie) en informele (ontstaan gaandeweg) normen;

2. expliciete (vastgelegd) en impliciete (ongeschreven regel) normen;

3. normen voor in stand houden groep en uitvoeren taak (zorgen voor duidelijkheid in verwachtingen).

Convergentie = uniformiteit in gedrag van groepsleden. Bij een belangenconflict dreigt een partij onderdrukt te worden.

Belangen; het verschil tussen waarde en belang is moeilijk aan te geven. Bij waarde zegt men ‘ik wil eerlijk zijn’. Bij belang zegt men ’ik heb er belang bij dat ik eerlijk ben’. Er zijn individuele belangen en maatschappelijke belangen. Hier kan een conflict ontstaan.