Discriminatie

Definitie discriminatie

Over discriminatie wordt veel gesproken en geschreven, maar wat wordt er nu verstaan onder discriminatie?

De rijksoverheid geeft de volgende definitie:

Discriminatie betekent dat er onterecht verschil wordt gemaakt in de behandeling van mensen.

Artikel één van de grondwet gaat over gelijke behandeling en discriminatieverbod.

Hier staat:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook is niet toegestaan.

Ook in het onderwijs is er een verdrag getekend die discriminatie tegen moet gaan.

Dit verdrag is in 1960 in Parijs getekend en is in Nederland ingegaan op 25-06-1966 en is nog steeds van kracht.

Punten die in het verdrag benoemd zijn o.a.:

· Iedereen heeft recht op onderwijs.

· Discriminatie is verboden.

· Volken moeten samenwerken zodat er gelijke kansen en behandelingen zijn in het onderwijs.

Vooroordelen en discriminatie

Discriminatie is niet het maken van onderscheid op zich, maar het maken van verboden onderscheid. Dat wil zeggen: onderscheid maken tussen mensen, zonder dat daarvoor objectief gezien een goede reden is. Discriminatie en vooroordelen versterken elkaar. Vooroordelen verwijzen naar attitudes, discriminatie naar gedrag. Mensen zien vooroordelen als feiten die ze geloven en soms zien de slachtoffers ze ook op die manier. Door die ontwikkeling ontstaat er een vicieuze cirkel.

Fase 1: Vooroordelen en discriminatie beginnen vaak al een uiting van etnocentrisme of als een poging om economische uitbuiting te rechtvaardigen.

Fase 2: Vooroordelen en discriminatie hebben tot gevolg dat een minderheid in sociaal achtergestelde positie terechtkomt en een lage positie in het sociale stratificatiesysteem inneemt.

Fase 3: Deze achtergestelde positie wordt niet als een gevolg van vooroordelen en discriminatie gezien, maar beschouwd als een bewijs voor de aangeboren inferioriteit van de minderheid. Dat zet de cyclus van vooroordelen en discriminatie in beweging.

Stokely Carmichael en Charles Hamilton (1967) wezen erop dat niet alleen ideeën of handelingen van bepaalde mensen vooroordelen en discriminatie in de hand werken, maar dat institutionele vooroordelen en discriminatie veel schadelijker zijn: dat zijn vooroordelen die een onderdeel vormen van het functioneren van maatschappelijke instituties, waaronder scholen, ziekenhuizen, de politie en het bedrijfsleven.

Discriminatie wordt vaak geassocieerd met negatief gedrag. Toch wordt er ook over positieve discriminatie geschreven. Wat hiermee bedoeld wordt is dat bij gelijke geschiktheid van kandidaten voorkeur te geven aan iemand uit een minderheidsgroep. D66-kamerlid Koser Kaya vroeg zich in 2007 af of dit een positieve ontwikkeling was. De vraag was volgens haar niet of mensen ongeacht hun huidskleur of geslacht gelijke kansen moeten hebben, maar of positieve discriminatie een deel van de oplossing of van het probleem is. (Macionis, J.,& Peper, B., & Van der Leun, J., 2014)

Vrijheid van meningsuiting

In Nederland heeft men het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 van de grondwet). Bij discriminerende uitspraken wordt vaak een beroep gedaan om die vrijheid om je mening te kunnen uitten. Er zijn duidelijke grenzen aan de vrijheid.

In het wetboek van strafrecht wordt duidelijke beschreven wel uitingen strafbaar zijn op het gebied van discriminatie:

· openbare beledigende uitlatingen ­– mondeling of schriftelijk – over groepen mensen vanwege hun ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid of handicap (artikel 137c Sr)

· openbare uitingen die aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen mensen vanwege hun ras, godsdienst of levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap (artikel 137d Sr)

Soms moet de uitingsvrijheid worden afgewogen tegen een ander recht of belang om te bepalen wat er mag. Een rechter moet bepalen welk recht er zwaarder weegt, als het ene recht in strijd is met het andere. Bijvoorbeeld als de vrijheid van meningsuiting het verbod van discriminatie of haatzaaien raakt (zie art. 137 c en 137d Sr) of het recht op bescherming van iemands reputatie (zie de wetsartikelen over smaad en laster). Uiteindelijk is het de rechter die per geval – en pas achteraf – kan bepalen of een uiting strafbaar is. De rechter neemt in zijn oordeel mee:

  • wat de exacte inhoud van de uiting is;
  • wie de uiting doet;
  • in welke context dit gebeurt;
  • wat de gevolgen zijn voor degene die door een uiting wordt geraakt.

De meest voorkomende vormen van discriminatie

· huidskleur of afkomst.

· geslacht (man/vrouw)

· seksuele geaardheid

· leeftijd.

· godsdienst.

· handicap.

Huidskleur of afkomst

Uit de discriminatiecijfers 2018 die gepubliceerd zijn in een Nieuwsbericht op 16 april 2019 staat dat discriminatie op grond van herkomst het vaakst worden gemeld.

Racisme valt onder deze vorm van discriminatie. Racisme kan omschreven worden als een ideologie waarbij uitgegaan wordt van de superioriteit van de ene etnische groep ten opzicht van de andere groep.

Het gaat hier om Nederlandse mensen met of zonder migratie achtergrond. Deze mensen worden vaak achtergesteld op de arbeidsmarkt, ze worden gediscrimineerd in de buurt of wijk waar ze wonen en hebben klachten over de horeca. Een oorzaak kan zijn dat ze niet goed geïntegreerd zijn in de maatschappij of de taal niet beheersen. Ook zie je dat sommige bevolkingsgroepen die negatief in het nieuws zijn vaker gediscrimineerd worden.

Geslacht (man\vrouw)

In Nederlands bestaat de Algemene wet gelijke behandeling. In deze wet staat dat vrouwen en mannen, in een gelijke situatie, recht hebben op een gelijke behandeling. Het is verboden om onderscheid te maken op basis van geslacht.

Toch komt deze vorm van discriminatie nog steeds voor in Nederland. Vrouwen worden soms nog steeds achtergesteld. Er zijn situaties waar mannen en vrouwen verschillende rechten hebben, vrouwen met dezelfde positie minder verdienden en komt het voor dat vrouwen zonder reden een achtergestelde positie hebben.

Twee voorbeelden die vaak voorkomen. – Het arbeidscontract van een werkneemster wordt niet verlengd omdat zij zwanger is.

– In de krant verschijnt een vacature waarin specifiek wordt gezocht naar een mannelijke of vrouwelijke werknemer.

Seksuele geaardheid

Onder seksuele geaardheid verstaan we, naast heteroseksueel, ook de mensen die LHBTI+ zijn. Deze laatst genoemde groep wordt vaak gediscrimineerd. De problematiek rond seksuele geaardheid in onze multiculturele samenleving bestaat uit verschillende onderwerpen. In sommige culturele- en of bevolkingsgroepen is LHBTI+ niet bespreekbaar. Het geloof kan een oorzaak zijn om iemand die een LHBTI+ voorkeur heeft niet aan te nemen als ze solliciteren en de sollicitant zich openlijk uitspreekt over zijn/haar seksuele geaardheid. Ook vinden jongeren die LHBTI+ gevoelens hebben het moeilijk om daarvoor uit te komen. Het wordt nog steeds niet overal geaccepteerd om erover te praten.

Leeftijd

Bijna iedereen krijgt wel eens te maken met leeftijdsdiscriminatie. Bijvoorbeeld bij het solliciteren naar een baan, het afsluiten van een verzekering of als starter/senior op de woningmarkt.

Op 1 mei 2004 is de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid in werking getreden. Personen die zich ongelijk behandeld voelen op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs kunnen een verzoek om een oordeel indienen bij het College voor de Rechten van de Mens. Het verbod op onderscheid op grond van leeftijd geldt bij werving, selectie en aanstelling van personeel, arbeidsbemiddeling, arbeidsvoorwaarden, bevordering en ontslag. Daarnaast is het van toepassing op beroepsonderwijs, beroepskeuzevoorlichting, loopbaanoriëntatie en het lidmaatschap van werkgevers- en werknemersorganisaties of een vereniging van beroepsgenoten. De leeftijdsgroep die veel met leeftijdsdiscriminatie te maken heeft zijn de mensen boven de vijftig jaar die werkeloos zijn. Het is moeilijk te bewijzen dat het om leeftijdsdiscriminatie gaat, maar omdat het dure werknemers zijn neemt een bedrijf vaak een jongere sollicitant aan.

Godsdienst

We spreken van discriminatie op grond van godsdienst wanneer het gaat om ongelijke behandeling op grond van iemands religie of religieuze gebruiken. Ook verwijzingen naar het hebben van geen religie valt onder discriminatie naar godsdienst of levensovertuiging. Bij godsdienst gaat het om alle religies die het bestaan van een god, een bovennatuurlijke macht aanvaarden. Alle gangbare religies zoals het christendom, de islam, het jodendom, het hindoeïsme of het boeddhisme, vallen onder de bescherming van het verbod op godsdienstdiscriminatie, maar ook minder gangbare religies en religies waarin een opperwezen of bovennatuurlijke macht minder vanzelfsprekend is of centraal staat. Bepaalde in de samenleving niet hoog aangeslagen sekten zoals de Satanskerk kunnen geen aanspraak op bescherming maken (Stokkom et al., 2006).

Handicap

De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte verplicht een bedrijf of school te onderzoeken of iemand m et een handicap met behulp van een aanpassing in het bedrijf of op de school terecht kan of kan blijven. In een bedrijf heeft men de ARBOwet die de veiligheid van medewerkers moet waarborgen. In het onderwijs is het anders. De leerling moet wel zelf om een aanpassing vragen. Bijvoorbeeld extra begeleiding voor een leerling met autisme of hulpmiddelen voor een leerling met een motorische stoornis. Alleen als de aanpassing in redelijkheid niet van de school gevraagd kan worden, geldt het recht op extra ondersteuning niet.

Meldpunt discriminatie

In 2016 is het Meld.nl opgericht. Hier kan men melding doen van discriminatie. Deze meldingen

kunnen ook anoniem doorgegeven worden. Meld.nl is onafhankelijk en maakt geen onderdeel uit van de overheid. Men vindt het belangrijk dat iedere vorm van discriminatie gemeld wordt. Ze gaan er vanuit dat als de juiste instanties op de hoogte zijn van het onrechtmatige onderscheid dat is gemaakt, er ook daadwerkelijk wat gedaan kan worden. Daarnaast geeft Meld.nl met Het Juridisch Meldpunt, juridische hulp bij meldingen.

Naast Meld.nl zijn er verschillende belangenorganisaties die zich bezighouden met discriminatie (zie bijlage 4).

Justitiële maatregelen

Noot: Veel van wat je leest is ook van toepassing op volwassenen, echter leggen wij in deze tekst het accent op jongeren die met justitie in aanraking zijn gekomen en een justitiële maatregel krijgen opgelegd omdat die voornamelijk onze doelgroep zal zijn. In bijlage 1 nog wel even aandacht voor de verschillende maatregelen voor volwassenen.

Algemeen

Kinderen tot twaalf jaar kunnen niet door een rechter veroordeelt worden, vanaf 12 jaar tot 18 jaar is strafrecht van toepassing. Deze zittingen worden besloten gehouden, ze zijn dus niet opengesteld voor publiek, en de straffen worden opgelegd door een kinderrechter. Vanaf 18 jaar geldt het strafrecht dat op alle volwassenen van toepassing is.

Er zijn verschillende soorten straffen:

– Een berisping;

– Gevangenisstraf;

– Plaatsing in een jeugdinrichting;

– Een alternatieve straf.

De aandacht ligt vooral bij een eerste opvang, een behandeling of het uitzitten va een straf. Hierbij is het belangrijker om er voor te zorgen dat de persoon niet opnieuw de wet overtreedt. Door die prioriteit is de begeleiding gericht op terugkeer in de maatschappij.

Verschillen tussen straf en maatregel

Het doel van een straf is leedtoevoeging. Een maatregel is echter gericht op:

– het herstellen van de oude situatie. Denk hierbij aan een betaling van een schadevergoeding, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ( financieel voordeel wat je hebt overgehouden aan het strafbare feit wat je gepleegd hebt);

– Het beveiligen van de maatschappij. Denk hierbij aan ter beschikking stellen ( TBS), plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis).

Een straf kan alleen worden opgelegd als het feit waarvan iemand verdacht wordt wettig en overtuigend bewezen wordt, als dit een strafbaar feit betreft en als de verdachte strafbaar kan worden gesteld. Een maatregel kan de rechter soms ook opleggen als er geen sprake is van een veroordeling.

Maatregelen in het jeugdstrafrecht

In het jeugdstrafrecht gelden niet alleen andere straffen maar ook andere maatregelen. Men is van mening dat jeugdigen anders moeten worden behandeld dan volwassenen. Het heeft dan ook als doel om herhaling te voorkomen. Het jeugdrecht heeft een meer sterk pedagogisch karakter dan het volwassenstrafrecht.

Welke maatregelen zijn er:

– Ontneming van opbrengsten die op illegale manier verdiend zijn;

– Schadevergoeding;

– Inbeslagneming van illegaal verkregen goederen;

– De gedragsmaatregel (GBM) ( deze is ingevoerd per 1 februari 2008);

– Plaatsing in een jeugdinrichting ( een PIJ- maatregel).

Gedragsbeïnvloedende maatregel ( GBM)

Deze maatregel zit tussen de voorwaardelijke straf of taakstraf en de PIJ-maatregel in. De voorwaardelijke of taakstraf zijn te licht voor deze groep jongeren en de PIJ-maatregel is nog te zwaar. Deze strenge maatregel is bedoelt voor jeugdige veelplegers tussen de 12 en 21 jaar, deze jeugdigen hebben gedragsproblemen. Voor deze maatregel staat de jeugdige onder toezicht van de jeugdreclassering en volgen bijvoorbeeld een agressieregulatietraining of een gezinsgerichte training. De duur van deze maatregel is minimaal zes maanden en maximaal een jaar, hij kan wel worden verlengd. Het is wel zo dat als de jeugdige zich niet houdt aan deze behandeling dat volgt alsnog een detentie voor de resterende duur van de maatregel.

PIJ-maatregel ( ook wel jeugd- TBS)

Deze maatregel staat voor een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De kinderrechter kan deze maatregel opleggen wanneer de jeugdige zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf, waarvoor voorlopige hechtenis[1] is toegelaten. Daarnaast is een extra voorwaarde dat de veiligheid van personen of goederen in het gevaar zijn. De kinderrechter moet dus van mening zijn dat de minderjarige deze intensieve hulp nodig heeft om herhaling van het misdrijf te voorkomen. Deze maatregel mag de ontwikkeling van de jeugdige niet belemmeren.

Deze maatregel mag alleen worden opgelegd na advies van twee gedragsdeskundigen, in de meeste gevallen zijn dit een psychiater en een psycholoog.

De maatregel wordt opgelegd voor twee jaar en kan, wanneer het een geweldsdelict betreft, worden verlengd tot maximaal vier jaar. Mocht het zo zijn dat er bij de jeugdige is vastgesteld dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis dan kan deze maatregel worden verlengd tot maximaal zes jaar.

Randgroeperingen

Definitie

“Een groep van mensen die door armoede, opleiding en/of gedrag zich niet ( kan) houden aan de algemeen geldende maatschappelijke normen”.

Deze definitie is vrij ruim opgezet. Met geldende maatschappelijke normen worden de maatschappelijke normen in Nederland bedoelt. Gek genoeg, als je internet gaat afsporen op soorten randgroepen dan komt daar vrij weinig tot niet naar voren. Er zijn diverse randgroeperingen in Nederland, waaronder:

– Duik- en thuislozen;

– Kraakgroepen;

– Asielzoekers;

– Verslaafden;

– Niet- verzekerden;

– Terroristische randgroeperingen;

– Nazifascisten.

Dak- en thuislozen

Dakloos: Dit zijn mensen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben. Zij hebben dus geen adres om te wonen of te slapen. Deze personen staan dus ook niet ingeschreven in het bevolkingsregister. Vaak stelt de gemeente voor deze personen een adres beschikbaar. Hier wordt vaak opvang verzorgd in de vorm van bed-bad-brood en begeleiding.

Thuisloos: Dit is een persoon die vaak wisselt van onderdak of woonplaats. Een ander woord hiervoor is ook wel ‘bankhoppen’. In sommige gevallen staat zo’n thuisloze wel ingeschreven in het bevolkingsregister. Op dat adres is vaak een familielid of kennis waar de persoon het meest overnacht of het is een plek waar diegene zijn of haar eigendommen staan. Het kan ook voorkomen dat een thuisloze ook niet staat ingeschreven in het bevolkingsregister.

De mensen die in de volgende gebouwen verblijven worden gezien als dak- en thuislozen:

– In een crisisopvang ( Leger des Heils bijvoorbeeld);

– In een maatschappelijke opvang 2e fase; wonen in een woning van een zorgaanbieder met ambulante begeleiding ( Leger des Heils, Limor etc.).

De oorzaak van het dak- en/of thuisloos raken is meervoudig. De crisis kan bijvoorbeeld invloed hebben gehad: het aantal mensen met een inkomen onder de lage- inkomensgrens groeide. Doordat er bezuinigingen zijn doorgevoerd in de geestelijke gezondheidszorg zijn de personen die hier onderdak vonden vaak overgeleverd aan een dak- thuislozen opvang, dit doordat sommige opvanglocaties werden gesloten. Nog een aantal oorzaken waarom mensen op straat komen te staan:

– Schulden door te hoge woonlasten;

– Huurachterstand;

– Niet goed met geld omgaan en zo diep in de schulden terecht komen dat men uiteindelijk uit het huis wordt gezet;

– Brand;

– Verslavingen;

– Psychiatrische problemen waardoor iemand niet in staat is om voor zichzelf te zorgen;

– Uit huis worden gezet na ruzie met partner of ouder(s);

– Van huis weggelopen;

– Op de vlucht zijn voor iets of iemand;

– Echtscheiding of verbroken relaties;

– Zzp’ers ( zelfstandigen zonder personeel) die geen opdrachten krijgen en ook geen financiële steun.

[1] Voorlopige hechtenis: de voorlopige hechtenis is een verzamelnaam voor de verschillende perioden ( bewaring, gevangenhouding, gevangenneming) die je voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak vast kunt zitten. Voorlopige hechtenis is alleen mogelijk bij stafbare feiten waarop de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer gesteld heeft. Voor een volledige beschrijving zie bijlage 2 ‘Wat is voorlopige hechtenis en wanneer kan dit worden toegepast?’.